Trimmen

Trim tabel

De onderstaande tabel komt van de IMS meetbrief. De tabel bevat de snelheid van de boot in knopen bij een bepaalde windhoek. Je zou dit als referentiesnelheid kunnen gebruiken om je boot op te trimmen tijdens een wedstrijd. 

Wind speed

6 kt

8 kt

10 kt

12 kt

14 kt

16 kt

20 kt

Wind angle

45.2°

45.0°

43.3°

41.8°

40.9°

40.4°

40.5°

Optimum beat

4.10

4.91

5.24

5.38

5.47

5.52

5.57

52°

4.52

5.37

5.73

5.91

6.02

6.09

6.15

60°

4.84

5.63

5.96

6.13

6.25

6.33

6.41

75°

5.12

5.82

6.15

6.39

6.56

6.67

6.79

90°

5.26

5.97

6.34

6.58

6.73

6.83

7.09

110°

5.09

5.86

6.30

6.65

6.94

7.17

7.48

120°

4.77

5.71

6.17

6.57

6.90

7.20

7.68

135°

4.17

5.24

5.87

6.28

6.64

6.98

7.59

150°

3.51

4.48

5.37

5.90

6.29

6.63

7.27

Optimum run

3.72

4.55

5.13

5.49

5.89

6.26

6.89

Gybe angles

144.8°

148.6°

155.6°

166.3°

173.1°

173.3°

173.2°

Tips

De bootsnelheid die je ontwikkelt met je Pion is afhankelijk van een aantal factoren: 

  • Positie bemmaning (gewichtsverdeling)
  • Zeiltrim grootzeil (positie overloop, spanning achterlijk, spanning voorlijk, neerhouder spanning onderlijk en natuurlijk de leeftijd van het zeil)
  • Zeiltrim genoa ( spanning voorlijk , positie genoarail en natuurlijk de leeftijd van het zeil)
  • Spinanakertrim
  • Spanning voorstag/achterstag
  • Spanning hoofdwand
  • Spanning hulpwand
  • Positie mast - helt naar voren, helt naar achter (aantal graden)
  • Spanning babystag
  • Zeilkeuze

Positie bemanning, aan de wind

Met de positie van de bemanning zijn een aantal voordelen te behalen. De mate van loefgierigheid is bij aan de windse koersen redelijk te beïnvloeden. Hoe meer gewicht je naar achteren brengt, hoe hoger het voorschip uit het water komt, waardoor de winddruk in het voorzeil het voorschip gemakkelijker naar lij drukt. Hierdoor vermindert de loefgierigheid enigszins, waardoor je minder roeruitslag hoeft te maken. Is je schip te lijgierig, doe het tegenovergestelde.

Positie bemanning, ruime wind

Laat de bemanning zo veel mogelijk naar achteren komen, hierdoor komt de boeg omhoog en wordt het schip meer uit het water omhooggetrokken, waardoor de weerstand vermindert.

Zeiltrim grootzeil

Om het grootzeil goed te kunnen trimmen zijn er naast de schoot een groot aantal instrumenten: grootzeilval, cunningham, onderlijktrekker, overloop, neerhaler, achterstag, babystag, regulierlijn, zeillatten en reven. Navolgend een korte opsomming per instrument wat de effecten zijn.

Grootzeilval

Regelt de voorlijkspanning en daarmee de profieldiepte van het zeil. Hoe meer doorgezet, hoe meer het profiel naar voren komt en hoe vlakker het zeil wordt. Meer doorzetten bij toenemende wind.

Cunningham

Ook wel voorlijktrekker genoemd, regelt eveneens de spanning van het voorlijk (zie hierboven), maar werkt veel verfijnder. Handig is om je val spanning voor zachte wind in te stellen en met je Cunningham de spanning afhankelijk je koers te reguleren.

Aanvullend kan je hiermee regelen dat het achterlijk iets meer open komt te staan. Doorzetten levert dus niet alleen een vlakker zeil op, maar zorgt ook dat je achterlijk iets meer open gaat staan.

Onderlijktrekker

Regelt de profieldiepte van de onderkant van je zeil. Hoe losser hoe meer profiel, afhankelijk van de windsterkte in te stellen. Meer wind minder profiel.

Overloop

Regelt hoofdzakelijk het openen of sluiten van het achterlijk van het grootzeil.

Neerhaler

Vooral op ruime koersen is de neerhaler van belang. De neerhaler voorkomt het omhoog waaien van de giek, waardoor het achterlijk te veel open gaat.

Achterstag + babystag

Hoe meer beiden zijn doorgezet, hoe meer mastbuiging er is. Hierdoor krijg je een vlakker grootzeil en een strakker voorstag, waardoor ook een vlakker voorzeil.

Regulierlijn

Zet deze zo door dat het zeil net niet kilt. Zet het nooit te strak door, zodanig dat het de wind naar loef laat afbuigen.

Zeillatten

Het beste is een doorgelat grootzeil, waarbij verjongde zeillatten worden gebruikt. Achter stijf en meer naar voren soepel. Bij weinig wind veel spanning op de latten (maakt het zeil boller) en bij veel wind minder spanning.

Reven

Reven voorkomt te veel helling en een te hoge mate van loefgierigheid. Bij veel golven eerder reven dan gebruikelijk!

Zeiltrim genua

Om het voorzeil goed te kunnen trimmen zijn er behalve de schoot minder mogelijkheden dan bij het grootzeil. De instrumenten zijn: genoaval, lei oog en regulierlijn. Navolgend een korte opsomming per instrument wat de effecten zijn.

 

 

Genuaval

Regelt de voorlijkspanning en daarmee de profieldiepte van het zeil. Hoe meer doorgezet, hoe meer het profiel naar voren komt en hoe vlakker het zeil wordt. Meer doorzetten bij toenemende wind.

Lij oog

De positie van het lij oog is niet alleen afhankelijk van het voorzeil dat je gebruikt, maar regelt daarnaast ook de mate van open of dicht staan van het achterlijk en meer of minder profiel. Hoe verder naar voren een lei oog is geplaatst, hoe meer het achterlijk dicht staat en hoe meer profiel. Plaats je het oog ver naar achteren, dan komt het achterlijk meer open te staan en minder profiel.

 

Ideale plek bepalen:

Kijk hoe het voor lijk invalt. Loef steeds meer op tijdens een aan de windse koers. Als het voorlijk gelijkmatig over de lengte invalt, staat het oog op de juiste plek. Valt het boven eerst in, dan het oog verder naar voren plaatsen. Valt het onder het eerst in, dan het oog verder naar achteren.

Regulierlijn

Zet deze zo door dat het zeil net niet kilt. Zet het nooit te strak door, zodanig dat het de wind naar loef laat afbuigen.

Onderstaande trimtabellen (aan de wind en ruime wind) geven een overzicht van de verschillende “basis” trim instellingen. 

Aan de wind

 

 

Zwakke wind (1 – 2 Beaufort)

Matige wind (3-4 Beaufort)

Harde wind (> 5 Beaufort)

Grootzeil:

·          positie overloop

·         achterlijk

·         spanning voorlijk

·         spanning onderlijk

·          neerhouder

·         grootschoot

 

Genoa:

·          achterlijk

·          spanning voorlijk

·         spanning onderlijk

·          positie lei oog*

 

Mast

·         babystag

·        achterstag

 

naar loef

iets open

losjes, een beetje plooi mag

losjes

losjes

iets gevierd

 

 

iets open

losjes

maximaal profiel

naar voren

 

 

nauwelijks op spanning

gevierd

 

midscheeps

gesloten

doorgezet

doorgezet

iets doorgezet

doorgezet

 

 

gesloten

doorgezet

een beetje profiel

in de middenpositie

 

 

iets doorgezet

doorgezet

 

naar lij

open

stijf doorgezet

stijf doorgezet

losjes

stijf doorgezet

 

 

open

stijf doorgezet

vlak

iets naar achteren

 

 

stijf doorgezet

stijf doorgezet

 

 *Midden positie lij oog verschilt per genua.

Ruime wind

 

Zwakke wind (1 – 2 Beaufort)

Matige wind (3-4 Beaufort)

Harde wind (> 5 Beaufort)

Grootzeil:

·          positie overloop

·          achterlijk

·          spanning voorlijk

·          spanning onderlijk

·          neerhouder

·          grootschoot

 

Genoa:

·         achterlijk

·         spanning voorlijk

·         spanning onderlijk

·         positie lei oog*

 

Mast

·         babystag

·         achterstag

 

 

naar lij

gesloten

zo los mogelijk

zo los mogelijk

iets doorgezet

gevierd

 

 

gesloten

zo los mogelijk

maximaal profiel

naar voren en naar buiten

 

 

los

maximaal gevierd

 

naar lij

gesloten

zo los mogelijk

zo los mogelijk

doorgezet

gevierd

 

 

gesloten

zo los mogelijk

maximaal profiel

naar voren en naar buiten

 

 

iets doorgezet

iets gevierd

 

naar lij

iets geopend

niet te strak

niet te strak

stijf doorgezet

gevierd

 

 

iets geopend

niet te strak

maximaal profiel

naar voren en naar buiten

 

 

iets doorgezet

iets doorgezet

 

*Midden positie lij oog verschilt per genua.

Spinnakertrim

Het trimmen van de spinnaker doe je met de schoten, de boompositie (hoek t.o.v. de wind) en hoogte boven dek en met behulp van barberhaulers. 

Boompositie

(t.o.v. de wind)

Bij ruime koersen, meer of gelijk aan 120 graden, de boom haaks op de windrichting. Bij halve windse koersen, de boom iets meer doorhalen, zodat deze een hoek tussen de 90 en 75 graden met de schijnbare wind maakt.

Boompositie

(hoogte)

Bij scherpe koersen en meer wind de boom laag zetten, hierdoor komt de bolling voor in de spinnaker te zitten.

Bij scherpe koersen en minder wind, de boom middenpositie, hierdoor komt de bolling iets meer naar achteren.

Bij ruime koersen en meer wind, de boom hoog zetten, hierdoor wordt het zeil wat vlakker bovenin en boller onder in, waardoor je meer controle houdt.

Bij ruime koersen en weinig wind, de boom wat lager zetten, hierdoor is het zeil bovenin boller en worden de lijken wat strakker. Waardoor de spinnaker gemakkelijker vol blijft staan.

Barberhaulers

Met de barberhauler breng je de lijsschoot naar voren. Het voor de wind doorzetten van de barberhauler betekent dat het onderlijk boller wordt (prettig bij harde wind). Bij scherpe koersen de loef barberhauler flink doorzetten. Dit beschermt niet allen je reling, maar maakt het schip koersvaster, waardoor je minder snel uit het roer dreigt te lopen.

Masttrim

Het spreekt bijna voor zich, maar let op dat je mast altijd loodrecht staat op het schip, zorg er voor dat de hoofd- en onderwanten een behoorlijke spanning hebben. De valling, dat wil zeggen de helling naar achteren vanuit een loodrechte stand, mag licht aanwezig zijn. Hierdoor wordt de boeg ontlast en dat is weer beter voor de zeegang en geeft een schuin naar boven gerichte voortstuwing, waardoor er minder weerstand in het water is. Laat de valling nooit te veel zijn (is trouwens afhankelijk van de lengte van je voorstag). Want voor de wind wil je liever een rechte mast hebben, dat geeft meer grootzeiloppervlakte. 

Mastbuiging

Het doel van de mastbuiging is drieledig: 1e het fixeren en stabiliseren van de mast tijdens zeegang, 2e het trimmen van het grootzeil bij toenemende wind en 3e het trimmen van het voorstag bij toenemende wind. Meer buiging geeft meer fixatie wat bijdraagt om het pompen te voorkomen bij zeegang en houdt het voorstag stabiel. Doormiddel van het babystag krijg je meer buiging, in combinatie met een doorgezet hekstag. Meer buiging betekent dat de bolling van het grootzeil naar voren gaat, waardoor het zeil vlakker wordt. Het flink doorzetten van het achterstag, geeft een platter voorzeil met de bolling naar voren.

Wanneer genua wisselen en reven

Het is natuurlijk ook van belang dat je tijdig wisselt van voorzeil, teveel zeil is ook niet goed. De vraag is vaak wat is het moment waarop je de zeilen moet wisselen. Bij hoeveel knopen wind kan ik mijn genoa nog voeren. De zeilmaker zal aangeven dat de genoa 1 er bij meer dan 12 knopen af moet. De praktijk is vaak anders. Een pion kan over het algemeen langer varen met een genoa 1 dan andere schepen (let op te lang doorgaan kost je je zeil). 

 

Zeil

Wind van

(kn)

Wind t/m

(kn)

Genoa 1

0

13

Genoa 2

14

19

Genoa 3 (high aspect)

20

25

Fok

25

28

Stormfok

29

?