200 myls solo 2012

De 200myls 20121: een tocht met een randje…

Doe voorzichtig, zegt mijn vrouw bij ons afscheid. Dat zegt ze altijd. En toch mag ik steeds weer gaan. Ze weet dat ze me niet houden kan. Misschien is het tegen hem ook gezegd. En vond zijn vrouw het net zo moeilijk. Want de zee, en dan alleen. En toch trekt het ons steeds weer naar haar toe. De 200 Myls Solo is een uitdagende wedstrijd, moeilijk en zwaar. Vorig jaar heb ik voor het eerst meegevaren. Toen was het psychisch erg zwaar omdat er nauwelijks wind was. Deze keer zal anders zijn. Er staat al een 6 in het weerbericht.

De tweede dag om 18.15 uur lees ik de sms van de wedstrijdleiding. De 200 myls is stilgelegd wegens een noodlottig ongeval van een collegadeelnemer. Ik weet niet wie of hoe. Maar mijn genaker2 gaat subiet naar beneden. Of zou het een luguber grapje zijn, flitst nog even door mijn hoofd. Nee, het feestje is over. In gedachten zie ik een stuk of tachtig boten bijdraaien en naar huis varen. De Ixi3 haalt me in. Ook hij heeft zijn voorzeil laten zakken en weet te vertellen dat er een Optima 92 is gevonden op de Afsluitdijk, waarschijnlijk een hartinfarct. Stil kijk ik om me heen. De Waddenzee is op zijn mooist. Zon en wolken spelen verstoppertje. De beide kerktorens van Harlingen worden geflankeerd door een dubbele regenboog. In de verte nog een paar donkere buien. Het zonlicht is zacht en breekbaar. Ik maak een foto van Harlingen als nagedachtenis aan een voor mij nog onbekende schipper. Later hoor ik dat Dancker Daamen dood is aangetroffen, bij zijn schip, vastgelopen op de afsluitdijk.

Bij de Richel voer ìk bijna op een vissersboot. Omdat ik met mijn camera te lang op zoek was naar een tweede glimp van een bruinvis. Nog net op tijd kon ik de stuurautomaat lostrekken en hard oploeven. Het gaat wel vaker op het nippertje. Niet dat ik niet goed oplet, maar er zijn zo ontzettend veel momenten waarop ik moet opletten. En soms ontsnapt er wel eens een. Als ik de grote kleurige genaker van vriend Ties heb neergehaald waar ik een tijd je rustig verder. Pas voor Harlingen hijs ik de gewone genua weer en vaar ik naar Makkum. Dat had ik ook gedaan als ik de wedstrijd niet zou zijn afgelast. Op de Boontjes heb ik stroom tegen, maar er staat zo’n mooie noord westen wind dat ik nog 5,5 knopen snelheid overhoud. Vorig jaar voer ik hier in de nacht en scheen Orion me toe. Nu kleurt de avondlucht boven het Friese land blauw paars, als de rand van een levende rouwkaart. Ik denk terug aan de klapgijp tijdens het rondje Noord-Holland. Toen ik een bloedvlek op mijn brillenglas zag na een harde dreun op mijn voorhoofd. En aan de pijnlijke val op het voordek, nu drie jaar geleden, waarvan ik nog steeds een pijnlijke knie aan over gehouden heb. Aan toen ik in de haven in de bakskist viel, omdat de deksels nog open stond.

Als de eerste dag om kwart over vijf de wekker gaat wil ik er niet uit. Het is nog donker en ik heb hoofdpijn en geen zin om te varen. Maar het laatste weerbericht is gunstig. Zuidenwind en hard genoeg voor een mannetje alleen. Alle mijlen die ik zo kan maken moet ik maken. Streber wint het van Slomo. Ik sta op, zet thee en als het spek spettert in de pan kan ik de eieren niet vinden. Ik ruim alles op, trek mijn pak en zwemvest aan en stap naar buiten. Buurman heeft zijn motor al gestart en vindt dat ik ook moet gaan. Op weg naar de startboei ben ik eindeloos aan het dralen. Ik weet niet welk zeil ik moet zetten, de genua, de genaker of de spinaker. Het waait best hard en het is nog donker. Met de genua zul je zien dat alle spinakers me voorbij lopen. Met de spi is een onrustige vaart redelijk zeker. Dus de genaker? Ik heb hem geleend en er nog nooit mee gevaren. Het zeil staat prachtig en trekt me hard vooruit. In vliegende vaart ga ik over de denkbeeldige startlijn bij de P9 boei voor Durgerdam. Ik scheur om het Paard van Marken, langs Volendam en naar Hoorn. Aan het einde van het voor-de-windse rak waait de genaker om de voorstag. Het duurt een kwartier voordat ik het zeil weer heelhuids gestreken heb. Ongelooflijk wat een kracht er op zo’n zeil staat als het gewoon hangt te klapperen. En wat ik me moet inspannen op het voordek om het te strijken. Een opvlieger. En in de tussentijd is de concurrentie me weer voorbij komen zetten. Met de werkfok en één rif in het grootzeil vaar ik naar Lelystad. Langzaam kruip ik onder het groepje boten door, dat me na de vorige boei had ingehaald. Collega’s met een rolfok maken het zich veel gemakkelijker. Alles te kunnen varen met slechts één zeil dat ik 30 seconde is opgeruimd. Ik sjouw met grote stukken onhandelbaar doek over het dek en door de nauwe kajuitingang. Ik moet wisselen als het hard begint te waaien en alle hens aan dek als ik de genaker of spinaker vaar. En mijn kleine schip ligt half vol met zakken zeil. En allemaal om een halve knoop harder te varen, soms anderhalve. Waarom? Ik bedenk de geuzennaam ‘zeilenboot’ voor boten met dacron4 in alle kleuren en maten, dat in velen jaren bij elkaar 4 materiaal voor zeildoek gesprokkeld is of wordt geleend van vrienden. Met een zeilenboot ben je nooit alleen.

Om tien over half twaalf finish ik in Lelystad. In vier uur en een kwartier heb ik 27 mijl gevaren. Dat is niet slecht. Na de Houtribsluizen leg ik even aan en begint het dralen opnieuw. Met de super koffie van Niels zet ’n espresso en neem er een stuk notentaart bij. Heilzame luxe. Ik maak een praatje met Erik (van de Svala) en Bouke (van de Catootje) aan dezelfde steiger. Bouke laat ons de Windguru op zijn laptop zien. Dan maakt mijn besluit helder. Ik ga voor route 2, over de eilanden Texel en Vlieland. Bouke doet hetzelfde. Ik zie Eric twijfelend voor baan 3 kiezen. Hij blijft op het IJsselmeer ivm de windverwachting.

Als Bouke wegvaart ga ik er snel achteraan. De wind neemt nu iets af, de koers wordt voor-de-wind. Dus ik zet mijn eigen oude stormspinaker. Met 7- 8 knopen geniet ik richting Lemmer. Daarna een kort rakje halve wind met de grote genua en een rakje kruisen terug naar Enkhuizen. Daarna kan de grote spinaker van Bart gezet om naar Den Oever te varen. Zo moet het toch lukken om Bouke bij te houden die zonder spi vaart omdat die in het eerste rak al uit de lijken werd geblazen. ’s Avonds richting Oude Zeug bel ik Koen. Of hij ook nog even op Windguru kan kijken. Of ik na Den Oever door moet gaan of beter wat kan gaan slapen. Doe het rustig aan, geeft hij me mee en op dat moment voel ik hoe moe ik ben. Het blijft Den Oever. De Catootje ligt al aan de steiger. De Sabar (een oudere zus van de Rep & Roer9) vaart achter me aan. Ik besluit voor anker te gaan, dan heb ik dat verplichte nummer alvast gehad.

Om zeven uur gaat de wekker. Drie keer zet ik hem op sluimer. Dan is het half acht en moet ik er toch echt uit. Weer geen zin en meer koppijn. Als ik om kwart over negen naar de sluis vaar springt het licht net op rood. Ik zie twee masten: ze zijn me voor. Het regent, de wind is naar het noorden gedraaid. Dat wordt kruisen naar het Molengat. Met de nieuwe grote genua van Hein kruis ik het Malzwin af naar het Molengat. Het is een mooi zeil, maar een draak om er in je eentje mee te kruisen. Elke keer als ik overstag ga moet ik het voordek op om het zeil over de reling te hangen, voordat ik het strak kan trekken. Of ik moet een flipflop maken, maar dat kost snelheid en dus tijd. Deze keer wint het gemak, en de veiligheid, dan maar iets minder snel. In de verte blijven de twee zeilen voor me uit varen. Thuis op de website kunnen ze zien wie dat zijn. Ik nu niet. Bij de boei Molengat 2 kan ik definitief naar lij afzwaaien, vaart het rustiger en loopt mijn snelheid iets omhoog. Een groot schip komt heel langzaam dichterbij. Ik doe mijn best, maar het verschil met de Blue June10 is te groot. Strak en statig vaart hij onder me door. Bij de Vlielandgeul zie ik de Blue June afbuigen naar de kust. Ik schrik. Het is net of hij het strand opvaart. Wat moet ik dan doen? Gelukkig draait ‘ie weer bij en vervolgt zijn weg door de geul. Even later nog zo’n schrik moment. Als ik bijna tegen een vissersboot vaar. Omdat ik te lang achterom keek naar een tweede glimp van een bruinvis, die uit bleef. Eenmaal in de Vliestroom hijs ik de kleurige genaker weer. In de Blauwe Slenk schijnt, na een plensbui, de zon weer onder de wolken door. De twee kerktorens van Harlingen staan midden in een dubbele regenboog. Dit zijn de momenten waar ik het voor doe, denk ik dan. Het is dan kwart over zes ’s avonds. In de kajuit pak ik mijn gsm en lees het sms-je van de wedstrijdleiding. Met de Ixi vaar ik naar Kornwerderzand. Daar komt ook de Anoniem in de sluis. Met zijn drieën varen we naar Makkum. Ik vaar achteraan. Nu pas houdt de wedstrijd echt voor me op, merk ik. Anders had ik nu doorgevaren. De wind staat veel te gunstig om te gaan slapen en morgen krimpt die weer naar zuid west. Maar er is geen anders.

De volgende dag vaar ik 8 uur tegen de wind in naar huis. Bij de haveningang waait mijn petje in het water. Ik kijk om. Ach, een oude pet, denk ik. Wel een trouwe pet. Ik trek de stuurautomaat los, draai de boot en vaar terug. Een minuut later vis ik met de pikhaak een natte pet omhoog. Na het weekend lees ik in de ochtendkrant dat Dancker op zijn geliefde IJsselmeer aan boord van zijn schip is overleden. Ik hoop dat het een natuurlijke dood was. Voor hem, voor zijn geliefden. En eigenlijk ook een beetje voor mijn geliefden, en mezelf.

Paul van Ham (Rep en Roer)